Ik denk, dus ik ben veganist

Over verplichtingen en moraal

Over verplichtingen en moraal
Leestijd: 6 minuten

Wereldwijd worden steeds meer rechten aan niet-menselijke dieren toegekend, hoewel deze ontwikkeling traag plaatsvindt. Frequent wordt gesteld dat die rechten het gevolg zijn van plichten (duties) van de mens tegenover niet-menselijke dieren (zie voor meerdere voorbeelden Beauchamp & Frey, 2011). Maar in hoeverre er plichten zijn en waar die uit blijken wordt doorgaans niet behandeld. Waar komen ze vandaan? Uit de wet? Uit een plots moreel besef (immers: millennia lang hebben we ons niet bekommerd om dierenleed of dierenwelzijn)? In hoeverre bestaan plichten überhaupt?

Plichten jegens mensen

Om die vragen te beantwoorden kunnen we ons eerst afvragen welke verplichtingen we tegenover andere mensen hebben. De plichten die waarschijnlijk bij de lezer naar boven komen zijn plichten die de mens zichzelf heeft opgelegd, zoals: “je zult niet van anderen stelen” of “je zult anderen niet doden”. Wellicht denkt een gelovige (daarnaast) aan een gebod zoals “Heb eerbied voor uw vader en uw moeder, dan krijgt u een lang en goed leven in het land dat de HERE, uw God, u zal geven” (Exodus 20:12, 2008). Ook dit is een plicht die mensen zichzelf hebben opgelegd, want er is geen reële indicatie dat deze christelijke God bestaat (zie ook Van den Berg, 2018). De plichten die wij anno 2018 ervaren komen voort uit de wet of onze cultuur (waaronder bijvoorbeeld religie). Maar als wij ons deze plichten zelf hebben opgelegd, waar komen ze dan vandaan? Waarom mag ik niet van je stelen? Waarom mag ik je niet doden?

In het kader van een gedachte-experiment gaan we ons begeven naar de oertijd. Hoewel iedereen zich daar een ander concept van voorstelt, zijn enkele voorwaarden helder. Er zijn geen staten of grootschalige samenlevingen, waardoor samenlevingen overzichtelijker zijn. Mensen leven in kleine groepen. De mens is primair bezig met voeding, met overleven. Het lijkt op een “natuurtoestand”, een situatie van allen versus allen (Hobbes, 1651), maar het is een situatie van groepen versus groepen. De mens heeft (als dier) de drift om zich voort te planten. Man en vrouw hebben geslachtsgemeenschap en het gevolg is een kind. Het gaat in deze situatie om het eigen overleven en het overleven van de soort (voortplanting). Maar stel dat de man een hem onbekende mens tegenkomt. Welke verplichting heeft hij dan tegenover die mens? Wat móét hij doen? Of wat mág hij absoluut niet doen? En waarom (niet)? Mij lijkt dat hij geen verplichtingen naar de andere mens heeft, want waaruit blijkt enige verplichting? Maar mag hij die mens dan doden? Hij moet hem niet doden en hij moet hem niet in leven laten. Maar hoe zit het dan met de relatie tussen de moeder en het kind? Ook daar is geen sprake van móéten. Dat zij zorg draagt voor haar kind heeft een functionele biologische oorsprong. Dat moeder en kind een affectieve relatie opbouwen of dat het kind een ander mens interessant of aardig vindt, betekent nog niet dat er generale verplichtingen bestaan. De groep streeft haar eigen belangen na. Slechts binnen de eigen groep bestaan morele verplichtingen. Door je te committeren aan ‘het een ander niet aandoen wat je niet wil dat jou geschiedt’ word je daar zelf ook tegen beschermd. Op die wijze ontstond moraal binnen de meest primitieve samenleving. Mensen leven functioneel samen om eigen belangen te kunnen nastreven en in verband met de bescherming tegen andere mensen en andere dieren. Bij het ontwikkelen van primitieve samenlevingen hebben mensen uiteindelijk een deel van hun vrijheid afgestaan aan de soeverein, die het voorgaande zoveel mogelijk moet garanderen (zie ook Hobbes, 1651; Rousseau, 1762).

Plichten en moraliteit

Nu, in 2018, leven we in Nederland in een complex rechtssysteem met een veelomvattend wettelijk kader dat veel ‘verplichtingen’ schept. Door geboren te worden ontstaan plichten en rechten. Je kunt niet uit dat systeem stappen. Je zou wellicht kunnen emigreren en elders staatsburger kunnen worden, maar wereldwijd gelden rechtssystemen. Rechtssystemen zijn voortdurend in ontwikkeling. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met globalisering (denk aan internationaal recht) en technologische innovatie (een ‘inbraak’ in je computer of het stelen van digitale data was anno 1818 nog onmogelijk), maar ook met moraliteit. De moraal lijkt niet absoluut of universeel te zijn (zie bijvoorbeeld Van den Berg, 2013, p.93), maar aan tijd en plaats gebonden.

Kortom, we hebben geen absolute verplichtingen tegenover anderen en onze moraal is gebaseerd op ons eigen belang. Tot zover klinkt het niet rooskleurig. Ons moraliteitsbegrip wordt echter ook gekleurd door andere factoren. Bijvoorbeeld door wat wij in de volksmond ’empathie’ noemen. Decety en Cowell (2014) zijn kritisch op het gebruik van dit containerbegrip omwille van haar veelzijdigheid, maar ze wijzen erop dat bepaalde deelaspecten ervan effecten kunnen hebben op onze moraal (zie voor meer informatie de paragrafen over ‘emotional sharing’, ‘empathic concern’ en ‘perspective taking’ in hun artikel). Door bijvoorbeeld ‘empathic concern’ zijn we gemotiveerd om te geven om het welzijn van anderen (zoals bij de moeder-kind-relatie, maar ook in de relatie met huisdieren). Mensen lijken begaan te zijn met het welzijn van onbekenden, hoewel dit gevoel sterker aanwezig is bij bekenden. Dat kan bepalend zijn voor moraliteit (Decety & Cowell, 2014).

Je zou kunnen zeggen dat een moraliteitsbegrip met een samenleving mee groeit. Ons denken over wat goed is en over hoe we een betere wereld kunnen creëren ontwikkelt zich voortdurend. Waar voorheen slavernij, racisme en het onderdrukken van homoseksuelen en vrouwen geen moreel probleem vormden is dat tegenwoordig anders. De (voormalige) slaaf, de Noord-Afrikaan, de homoseksueel en de vrouw hebben anno 2018 dezelfde universele rechten als de blanke heteroseksuele man. Dit komt doordat wij ons zijn gaan beseffen dat alle mensen gelijkwaardig zijn in hun ‘mens-zijn’. Wat wij moreel achten codificeren we na enige tijd als er voldoende steun voor is. De moraal loopt daardoor voor op de wet. Cliteur (2001) wees er al op dat onze omgang met niet-menselijke dieren wel eens dé morele blinde vlek van onze generatie zou kunnen zijn. Met hem verwacht ik dat we hier over een eeuw op terugkijken zoals wij nu kijken naar de slavernij of de onderdrukking van homoseksuelen: als barbaars. De ontwikkeling van moraliteit en codificatie daarvan verloopt op dit gebied echter zeer langzaam.

Afsluitende overdenkingen

In kleine, gesloten, primitieve samenlevingen lijken er geen verplichtingen te bestaan naar anderen buiten de eigen groep. Binnen de groep bestaat een moraal, die gericht is op de basis van moraliteit: dat je een ander niet aandoet wat je niet wil dat jezelf overkomt (Van den Berg, 2013, p.93). Daarnaast wordt wat moreel is bepaald door begrippen die in de volksmond ’empathie’, ‘compassie’ en ‘sympathie’ genoemd worden (ik zal daar nu niet uitgebreid op ingaan omwille van de lengte van deze tekst). In de kern gaat het om het zich kunnen verplaatsen in een ander of het geraakt kunnen worden door het zien van leed bij een ander. Zoals gezegd lijken absolute plichten niet te bestaan. We leggen onszelf verplichtingen op. Vanuit onze (sociale systemen en) rechtssystemen worden we geacht ons daaraan te houden; doen we dat niet kan dat consequenties hebben. Moraliteit is een samenlevingssysteem.

Onze morele cirkel is steeds groter geworden; en dat niet alleen door de drang naar bescherming en het vergroten van eigen geluk, maar ook door onze ’empathische’ vermogens (empathie kan overigens wellicht ook tot meer eigen geluk leiden). In de koloniale tijd hoefden mensen zich immers niet ernstig zorgen te maken over grootschalige of gevaarlijke opstanden van slaven. De kolonialisten hielden hen met grof geweld onder bedwang (Vanvugt, 2016). Toch is de morele cirkel door de eeuwen heen vergroot naar álle mensen. In onze tijd hebben die internationaal geldende morele verplichtingen geresulteerd in de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens.

Met het besef dat de mens een dier is (Darwin, 1859), is bij steeds meer mensen de wens ontstaan om onze morele cirkel verder te vergroten naar niet-menselijke dieren. Immers, “als de mens verwant is aan het dier, dan is het in ieder geval niet meer vanzelfsprekend dat de mens rechten heeft en dieren rechteloos zijn” (Cliteur, 2001, p.26). Indien de mens morele plichten creëert om veilig en gelukkig te kunnen leven, dan is de vergroting van de morele cirkel naar niet-menselijke dieren interessant omwille van tenminste twee redenen. Sommige niet-menselijke dieren lijken immers geen gevaar te vormen voor onze veiligheid en ons geluk. Daarnaast zullen sommige niet-menselijke dieren de inzet, om elkaar niet aan te doen wat wij niet wensen dat onszelf overkomt, niet begrijpen. Net zo min als dat er een absolute plicht is om onze medemens niet onheus te behandelen, is er ook geen absolute plicht om andere dieren hun leven te laten leiden. En toch zijn de voormalige slaaf, de Noord-Afrikaan, de homoseksueel en de vrouw inmiddels gelijkwaardig aan de blanke heteroseksuele man in hun mens-zijn. Empathie, sympathie en compassie (waarover Remi ter Haar al schreef) zijn sleutelwoorden voor onze morele plichten. Wij lijken onze moraal steeds meer te laten bepalen door het containerbegrip empathie (in plaats van slechts door veiligheid en het nastreven van eigen belangen). Of beter gezegd, door wat Floris van den Berg uitlegt aan de hand van het universeel subjectivisme. Hierop zal ik nader ingaan in mijn volgende artikel, dat zal behandelen tot welke benadering van de omgang met niet-menselijke dieren het voorgaande dient te leiden.

Bart Collard

 

Literatuur

Beauchamp, T.L. & Frey, R.G. (2011). The Oxford Handbook of Animal Ethics. Oxford University Press: Oxford.

Berg, Van den, F. (2013). De vrolijke veganist. Ethiek in een veranderende wereld. Houtekiet: Antwerpen.

Berg, Van den, F. (2018). De olijke atheïst. Houtekiet: Antwerpen.

Cliteur, P.B. (2001). Darwin, dier en recht. Boom: Amsterdam.

Darwin, C. (1859). The Origin of Species. Everyman’s Library: London.

Decety, J. & Cowell, J.M. (2014). Friends or foes: Is empathy necessary for moral behavior? Perspective Psychological Science, 9(4), 525-537, doi:10.1177/1745691614545130.

Exodus 20:12 (2008). In Het Boek. Jongbloed: Heerenveen, 62-113.

Hobbes, T. (1651). Leviathan. Of de samenstelling, vorm en macht van een kerkelijke en wereldlijke staat. Vertaling door W. Krul (2010). Boom: Amsterdam.

Rousseau, J.J. (1762). Het maatschappelijk verdrag. Of beginselen der staatsinrichting. Vertaling door B. van Roermund (2015). Boom: Amsterdam.

Vanvugt, E. (2016). Roofstaat. Wat iedere Nederlander moet weten. Nijgh & Van Ditmar / Top Notch: Amsterdam.

Photo by Joey Kyber on Unsplash



1 thought on “Over verplichtingen en moraal”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *