Ik denk, dus ik ben veganist

Bevrijd van religie was Descartes misschien wel veganist geweest

Bevrijd van religie was Descartes misschien wel veganist geweest
Leestijd: 6 minuten

Onder veganisten is de 17e eeuwse filosoof René Descartes vooral bekend om zijn werk Discours de la Méthode, in het Nederlands Over de Methode, uit 1637. Descartes wordt gezien als het ‘monster’ dat dieren levend opensneed voor wetenschappelijke doeleinden, omdat hij hen zag als machines; als redeloze wezens. Ik besloot Over de Methode nader te bestuderen; daarover gaat dit artikel. Hoewel Descartes begreep dat het lezen van een goed boek het gesprek met de auteur betekent (p.39), was hij tegen het zelfstandig interpreteren van de woorden van een auteur. “Als iemand het ontbrekende kan aanvullen [ben] ik dat zelf en niemand anders (…) omdat men iets nooit zo goed kan begrijpen en zich eigen maken als wanneer men het zelf bedenkt” (p.89). Je suis désolé, René.

Natuur

Descartes vroeg zich af “hoe het kwam dat ik kon denken aan iets dat volmaakter is dan ikzelf; en kwam tot de vanzelfsprekende conclusie dat dat een wezen moest zijn dat ook werkelijk volmaakter is dan ikzelf” (p.62). Descartes’ dwaling om te geloven in God is een misvatte conclusie die had moeten leiden tot een inzicht van de kracht (maar ook zwakte) van de natuur. Descartes volmaaktere wezen – in zijn ogen God – is namelijk de natuur.

De natuur geeft, neemt en is volmaakter dan hijzelf; niet God. Vanuit het Christendom ziet Descartes het als een goddelijk gebod om zoveel mogelijk het welzijn van alle mensen te bevorderen. Door natuurkundige kennis kan de mens heer en meester van de natuur worden (p.83). Hoewel een god met ondoorgrondelijke plannen dat kan wensen of toestaan, mag duidelijk zijn dat dit in onze goddeloze werkelijkheid zeer problematisch kan zijn. Gods bevel om heer en meester van de natuur te worden is immers nooit gegeven. Daarnaast kan hij de door de mens aangerichte schade niet herstellen en hij kan ook geen balans creëren. Hij bestaat immers niet (zie ook Van den Berg, 2018).

De rede

Descartes is zich ervan bewust dat hij niet feilloos is (p.38, 66, 82). Hij ziet het als een feit dat onze zintuigen ons bedriegen (p.60). Reeds Descartes begreep het gevaar van cultuur; hoe tradities en gewoonten zekerheden scheppen die onwaar, buitensporig en belachelijk kunnen zijn (p.43). Daarom besloot hij al zijn zekerheden in twijfel te trekken in zijn zoektocht naar het ware (p.43, 47, 60). “Maar onmiddellijk daarop besefte ik dat, terwijl ik aldus wilde menen dat alles onwaar is, het noodzakelijk was dat ik, die dat dacht, iets ben. En beseffend dat deze waarheid: ‘ik denk, dus ik ben’, zo sterk en zo zeker was dat zelfs de meest buitensporige veronderstellingen van de sceptici niet bij machte zijn haar aan te tasten, meende ik dat ik haar zonder enig bezwaar kon beschouwen als het eerste uitgangspunt van mijn filosofie” (p.61). Ik denk, dus ik ben. The Matrix, en millennia eerder het hoofdstuk over de grot in Plato’s Politea, doen ons zelfs twijfelen aan die uitspraak. Om toch met enige zekerheden te kunnen leven, leven we met voorlopige waarheden. Deze waarheden kunnen voortdurend worden getest en eventueel worden aangepast. Belangrijk is ook om te beseffen dat de uitspraak ‘ik denk, dus ik ben’ niet bepaalt of iemand die niet denkt ís. Welke wezens denken? En in hoeverre is het überhaupt relevant dat ik ben?

Voor Descartes is de rede hetzelfde als ‘gezond verstand’: “het vermogen om goed te oordelen en waar van onwaar te onderscheiden” (p.37). Volgens hem is dit vermogen bij elk mens van nature gelijk. Echter, niet elk mens gebruikt de rede op de juiste manier. Volgens Descartes is de rede het enige waardoor de mens zich van andere dieren onderscheidt (p.37, 61, 63 & 80).

Het lichaam en de ziel zijn twee afzonderlijke dingen, maar ze zijn wel verbonden; ze vormen een eenheid (p.71 & 81). De rede zit geworteld in de menselijke ziel. Zelfs als het lichaam niet zou bestaan, zou de ziel alles zijn wat ze is (p.61). Doordat het lichaam sterfelijk is en de menselijke ziel niet, is de mens in tegenstelling tot andere dieren onsterfelijk (p.81). Of de menselijke ziel daadwerkelijk onsterfelijk is – en waarom – trekt Descartes kennelijk niet in twijfel. Hij lijkt te veronderstellen: ‘Ik denk, dus ik ben. Altijd’.

De mens als dier

Tweehonderd jaar voor Darwin benoemde Descartes de mens voorzichtig als een dier: “Van de beschrijving van de onbezielde lichamen en van de planten ging ik over tot die van de dieren en in het bijzonder tot die van de mens” (p.70). Volgens Descartes zijn de lichamen van mensen en redeloze dieren in staat tot dezelfde functies (p.71). Doordat hij spreekt over ‘redeloze dieren’ en niet over ‘dieren’ blijkt wederom dat de mens volgens hem een dier is. Als alle dieren redeloos waren was er immers sprake geweest van pleonasme.

Niet-menselijke dieren als machines

Descartes vergelijkt redeloze dieren met machines. “Als er zulke machines waren, met de organen en het uiterlijk van een aap of een ander redeloos dier, [zouden] wij deze op geen enkele manier van een echt dier (…) kunnen onderscheiden” (p.78). Stel dat het lichaam van de mens nagebootst zou kunnen worden als machine, dan zou dit onderscheid volgens Descartes wél gemaakt kunnen worden: omdat de mens – vrijelijk samengevat – beschikt over taal en inzicht, op een wijze die geen enkele machine kan nabootsen. De ethologie heeft ons geleerd dat andere dieren echter ook over taal en allerlei ‘inzichten’ beschikken. Maar hoe verhoudt zich dat tot de mens met beperkte geestelijke vermogens? Want deze mens beschikt wellicht ook slechts over beperkte vermogens op het gebied van ‘taal’ en ‘inzichten’. Descartes heeft hierover nagedacht en legt uit: “Aangezien men tussen de dieren van eenzelfde soort evenveel ongelijkheid aantreft als tussen mensen (…), is het, tenzij men aanneemt dat ze een totaal andere ziel hebben dan wij, onwaarschijnlijk dat een aap of een papegaai die tot de meest volmaakte van zijn soort behoort, niet de gelijke zou kunnen zijn van een kind, of althans van een kind waarvan de hersenen niet in orde zijn” (p.80).

De term ‘onwaarschijnlijk’ duidt op Descartes’ feilbaarheid of onzekerheid. Hij neemt aan dat niet-menselijke dieren een totaal andere ziel hebben dan menselijke dieren. Descartes zag echter in dat wanneer die aanname niet gedaan zou worden, dat de aap of de papegaai de gelijke (of de hogere) kan zijn van een mens. Tot op heden is er geen eenduidigheid over het begrip ‘ziel’. Het heeft een spirituele, religieuze, oorsprong. Na de dood lijkt de menselijke ‘ziel’, in tegenstelling tot Descartes’ veronderstelling, niet voort te leven. Dat schakelt zijn ‘tenzij’ uit.

Overdenkingen

Uit meerdere gedeelten van zijn tekst blijkt expliciet dat Descartes zich bewust was van zijn onvrijheid van meningsuiting. In hoeverre dat de inhoud van zijn werk heeft beïnvloed is moeilijk te bepalen. Was Descartes zich daadwerkelijk bewust van zijn eigen feilbaarheid of was het een zelfbeschermingsmechanisme tegen de kerk? Anno 2018 wordt, in tegenstelling tot Descartes’ uitgangspunt, aangenomen dat niet-menselijke dieren niet ‘totaal’ anders zijn dan menselijke dieren. Wat betekent dat? “Als de mens verwant is aan het dier, dan is het in ieder geval niet meer vanzelfsprekend dat de mens rechten heeft en dieren rechteloos zijn” (Cliteur, 2001, p.26). De belangrijkste mensenrechten richten zich op de bescherming tegen onnodig leed. Maar of een wezen lijdt lijkt geen centrale rol te spelen binnen Descartes’ overwegingen. Het gaat hem slechts om de geestelijke vermogens van het dier. Om de rede (of het gezond verstand) die geworteld zit in de ziel. Maar waarom slechts het dier dat over de rede beschikt ertoe doet legt hij onvoldoende uit. Daarnaast – en dat behandelt Descartes niet – in hoeverre bepalen de geestelijke vermogens de mate waarin een dier geluk of leed kan ervaren?

Wanneer je een kat een poot uittrekt is de reactie anders dan wanneer je dat bij een ‘machine’ doet. Verdwaald in zijn religie zag de kritische Descartes, die vrijwel alles in twijfel trok en zijn eigen feilbaarheid voortdurend benadrukte, de vraag waarom de rede als hét toetsingscriterium voor onze morele cirkel diende te gelden over het hoofd. Hij heeft geen aandacht voor het lijdensaxioma dat Bentham (1789) een ruime eeuw later voorzichtig introduceerde als criterium voor onze morele cirkel. Dat criterium deed Singer (1975) wél besluiten dat de aap of de papegaai de gelijke van de mens kan zijn.

Het is ironisch dat Descartes, denkend vanuit zijn religie, de rede als hét criterium voor de morele cirkel hanteert. De rede is immers de vijand van religie. Wie redeneert verwerpt haar. Het is schokkend wanneer zij, die zelfs ons bestaan in twijfel trekken, door religie gebonden zijn aan mentale ketenen die de eigen soevereiniteit aantasten. Bevrijd van religie was Descartes wellicht filosoof en dus veganist geweest (Van den Berg, 2013). Dan had het zielsbegrip immers geen grote rol gespeeld in zijn filosofie en waren ook naar zijn idee alle dieren sterfelijk. Nu blijft hij echter de vijand van het dierenrijk. En dat is jammer, want de filosofie kan meer (zelf)kritische mensen met zijn geestelijke vermogens gebruiken.

Bart Collard


Literatuur

Bentham, J. (1789). An Introduction to the Principles of Morals and Legislation. Herpublicatie (2007). Dover Publications: Mineola.

Berg, Van den, F. (2013). De vrolijke veganist. Ethiek in een veranderende wereld.Houtekiet: Antwerpen.

Berg, Van den, F. (2018). De olijke atheïst. Houtekiet: Antwerpen.

Cliteur, P.B. (2001). Darwin, dier en recht. Boom: Amsterdam.

Descartes, R. (1637). Over de methode. Vertaling door Th. Verbeek in 1977. Zesde druk uit 2002. Boom: Amsterdam.

Singer, P. (1975). Animal Liberation. The 2002 Edition. HarperCollins: New York.

Photo by Dan Otis on Unsplash



1 thought on “Bevrijd van religie was Descartes misschien wel veganist geweest”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *